Het instemmingsrecht in de rechtspraak 2026

17-09-2026

In een uitspraak van 7 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27218) oordeelde een rechter in kort geding over bezwaar van franchisenemers tegen een eenzijdige wijziging van de franchiseformule door de franchisegever. De franchisenemers waren van mening dat zij een instemmingsrecht hadden en dat instemming nog niet was gegeven. De rechter wees de claims van de franchisenemers af. Daartoe overwoog de rechter dat het instemmingsrecht van artikel 7:921 BW niet van toepassing is. Het ging in deze zaak immers niet direct om een lopende maar om een nieuwe verlengde overeenkomst. Omdat de lopende overeenkomst niet werd geraakt, hoefde er ook geen instemming te worden gevraagd.

Contractueel zouden de franchisenemers geen recht hebben op een ongewijzigde voortzetting van de bestaande overeenkomsten. Zij moeten er rekening mee houden dat de franchisegever pas wil overgaan tot verlenging van de franchiseovereenkomsten als de franchisegever deze heeft kunnen aanpassen. Alleen in redelijkheid onaanvaardbare wijzigingen hoefden niet te worden aanvaard, maar daarvan was volgens de rechter geen sprake. De impact was volgens de rechter echter niet niet zo groot dat geen enkele franchisenemer na de wijziging winst meer zou kunnen genereren.

Los van de vraag waar de grens van de onaanvaardbaarheid moet worden getrokken – mag een franchisegever eenzijdig wel een beetje van de winst van de franchisenemers afsnoepen en zo ja hoeveel dan – werpt deze uitspraak natuurlijk de vraag op naar de strekking van 7:291 BW. Vakcentrum ziet deze strekking anders. Het kan niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever dat het instemmingsrecht contractueel te omzeilen of beperken valt door een systeem van contractperioden. Hierover zal het laatste woord waarschijnlijk nog niet zijn gesproken.  

Op 2 april 2026 oordeelde de rechter ook in een kort geding (ECLI:NL:RBOBR:2026:4198) over een door de franchisegever doorgevoerde eenzijdige wijziging met terugwerkende kracht. Het betrof een wijziging van het ICT en facturatiesysteem. De franchisenemers verzetten zich tegen de wijzigingen omdat de franchisenemers van mening waren dat zij een instemmingsrecht hadden en dat geen instemming was gegeven.

Interessant is dat de franchisegever de rechter vroeg de claim van de franchisenemers af te wijzen, omdat deze het kort geding zouden misbruiken als drukmiddel in onderhandelingen met de franchisegever. Daarmee maakte de rechter begrijpelijk korte metten. De rechter was inderdaad van mening dat sprake was van wijzigingen in de franchiseformule zoals bedoeld in artikel 7:921 BW. Het ging om een materiële (niet neutrale louter administratief-technische) wijziging, die niet in de franchiseovereenkomst was voorzien. Dat volgens de franchisegever externe omstandigheden (fiscale en certificeringseisen) noodzaakten tot een wijziging deed aan het instemmingsrecht hier niet af.

Interessant is de overweging van de rechter dat geen drempelwaarde opgenomen was, zodat het instemmingsrecht bestond ten aanzien van iedere formulewijziging. Er was in de franchiseovereenkomst slechts een financiële drempel opgenomen voor wijzigingen die kunnen worden doorgevoerd zonder de franchiseovereenkomst te wijzigen. Dat is voer voor de contractmakers.

Interessanter is nog dat de rechter in kort geding de wijziging inhoudelijk heeft beoordeeld langs de lat van 7:912 BW, goed franchisenemerschap. In de zaken tussen Albert Heijn en haar franchisenemers in 2025 werd de onderhandelingshouding al langs die lat beoordeeld, nu ook werkelijk de inhoud van de wijziging door de vraag te beantwoorden of de franchsienemers als goed franchisenemer mochten weigeren om in te stemmen met de wijzigingen.

Dit is wat Vakcentrum betreft een goede ontwikkeling. Pas wanneer wijzigingen ook inhoudelijk worden beoordeeld kan een systeem van wijziging en instemming goed gaan lopen.