Franchise en mediation

22-01-2026

Sommige franchiseovereenkomsten bevatten een zogenaamde mediationclausule, meestal met de strekking dat partijen in geval van een geschil voorafgaand aan een gerechtelijke procedure een mediation kúnnen onderzoeken. Weinig franchiseovereenkomsten bepalen mediation als een verplicht voorportaal, voordat een gerechtelijke procedure kan worden gestart. Dit is mogelijk het gevolg van de lijn in de rechtspraak over de mediationclausule die tot 12 juli 2024 gold.

Deze lijn was namelijk dat een mediationclausule juridisch toch niet bindend kon zijn en dat geen gevolgen konden worden verbonden aan het niet naleven van de clausule. Het beginsel van vrijwilligheid van mediation werd daarvoor te zwaarwegend geacht, waarschijnlijk mede als gevolg van (de interpretatie van) een uitspraak van de Hoge Raad in 2006: “(…)Gelet op de aard van het middel van mediation staat het beide partijen te allen tijde vrij hun medewerking daaraan alsnog te onthouden, dan wel die om hen moverende redenen te beëindigen.”

Op 12 juli 2024 oordeelde De Hoge Raad opnieuw over een mediationclausule. Nu is het oordeel anders. Wanneer na uitleg moet worden vastgesteld dat de mediationclausule een verplicht karakter heeft – de aard van mediation verzet zich daartegen niet - kan de rechter beslissen dat de behandeling van de rechtszaak wordt aangehouden. De rechter hoeft dat niet te doen, bijvoorbeeld als de zaak te spoedeisend is of mediation zinloos.

Te verwachten valt dat vanuit franchisegeverszijde een mediationclausule nu wordt heroverwogen. Wanneer modelfranchiseovereenkomsten worden afgestemd met de franchisenemersvertegenwoordiging, verdient het vanuit franchisenemersbelang aanbeveling te overwegen dat mediation als verplicht voorportaal ongewenst drempelverhogend voor toegang tot de rechter kan werken. Bovendien moet de vraag worden gesteld of en wanneer mediation geschikt kan zijn als een algemeen verplichte manier om geschillen op te lossen.

Een juridische procedure is relatief duur, onzeker en geeft soms beperkt antwoord op complexe franchisekwesties. Een juridische procedure wordt in het algemeen ook als schadelijk beschouwd voor de vertrouwensrelatie tussen franchisepartijen. Mediation gaat daarentegen uit van herstel van communicatie en vertrouwen. Een goede mediator kan ruis en druk efficiënt terugbrengen en het goede gesprek over de wederzijdse belangen faciliteren.

Toch is de vraag of mediation altijd geschikt is. In tegenstelling tot andere rechtsverhoudingen is de machtsasymmetrie in franchise ook in mediation reëel. De franchisegever is en blijft de professionele onderhandelaar met veelal een contractueel betere uitgangspositie en het belang om oplossingen in te passen in het onaantastbare franchisesysteem. De franchisegever moet zijn handelen kunnen uitleggen aan zijn organisatie en alle aangesloten franchisenemers. De niet onderhandelbare contracten, de druk van collectieve besluiten en systeemoplossingen blijven dus bepalend. Mediation gaat uit van een onderhandelbaar belangenconflict, waarbij de toekomst meer van belang is dan het verleden. Een goede mediator zal wellicht in staat zijn om te werken met en aan wantrouwen en stuurs ingesleten gedrag, zodat partijen met elkaar in gesprek kunnen over hun gedachten en gevoelens. Maar zeker wanneer de mediator “slechts” een begeleidende rol speelt en dus de inmiddels bestaande wettelijke bescherming niet betrekt, zullen partijen maar beperkt ruimte hebben om veel te doen voor elkaars positie.  

Een ander argument tegen mediation in franchise is de complexiteit ervan versus het ontbreken van wettelijke eisen aan het proces van mediation en het beroep van mediator. Dat een mediation volstrekt vertrouwelijk is, draagt niet bij aan kwaliteitswaarborgen. Er zijn initiatieven geweest en worden ook nu nog getoond om het beroep van mediator te reguleren met een register en bepaalde kwaliteitswaarborgen. Op dit moment is het evenwel nog niet zover.

Hoewel goed denkbaar is dat mediation behulpzaam kan zijn in een fase van relatieonderhoud en wanneer de franchisegever en de franchisenemer botsen wegens miscommunicatie en belangenblindheid, is mediation niet zonder meer een geschikt voorportaal voor alle geschillen. Wel lijkt mediation goed te kunnen aansluiten bij de vraag naar een passend escalatiemiddel in het kader van een georganiseerde overlegstructuur tussen de franchisegever en de vertegenwoordiger van de franchisenemers. Veel formules hebben inmiddels een bepaald overleg opgetuigd over collectieve besluitvorming in een “Convenant” of “Franchisereglement”. Een geschillenregeling in dit kader is lastig. Het overleg betreft vaak een proces van vertrouwelijke communicatie, collectieve belangenafweging en besluitvorming. Als in dat kader geschillen opkomen, is een gerechtelijke escalatie vaak ongewenst vanwege de langere duur en de openbaarheid. Beide partijen kunnen juist in die – minder onevenwichtige – verhouding veel baat hebben bij de begeleiding door een professionele communicatiedeskundige en onderhandelingsbegeleider die de mediator is.