Het is een kenmerk van franchise dat er relatief weinig wordt geprocedeerd. Procederen is duur en neemt doorgaans veel tijd in beslag. Ook vormt het openbare karakter van een gerechtelijke procedure een drempel. In een franchiseformule kunnen gerechtelijke uitspraken voor flinke rimpels in het water zorgen. Voor franchisenemers speelt een grote rol, dat zij niet graag de voedende hand van de franchisegever bijten. Ook is het nog steeds zo dat de uitgangspositie van franchisenemers vaak behoorlijk nadelig is.
De franchiserelatie is van nature onevenwichtig. De franchisegever bepaalt de formule en de franchiseovereenkomst en is de primaire kennishouder. De franchisegever is vaak ook nog de verhuurder en soms kapitaalverschaffer. De franchisenemer is een zelfstandig ondernemer, dus zelf verantwoordelijk voor de resultaten en voor de eigen informatie op basis waarvan zij hun langjarige en kostbare verplichtingen aangaan. In veel franchiseovereenkomsten staat nog steeds dat geen rechten kunnen worden ontleend aan de door de franchisegever verschafte informatie, terwijl franchisenemers hiervan vaak wel afhankelijk zijn. Flinke investeringen leveren vaak maar weinig handelingsvrijheid op, vanuit de uniformiteitsbehoefte die hoort bij franchise. Kort gezegd, de franchisenemer moet – en mag alleen – met de formule ondernemen in het aangewezen gebied, met de aangewezen middelen op de door de franchisegever aangewezen wijze. Verkopen, opzeggen, switchen van formule, zijn door overeenkomst en vaak door de omstandigheden uitgesloten. De meeste franchiseovereenkomsten bevatten een postcontractueel non-concurrentieverbod en een geheimhoudingsbeding met bijhorende hoge boeteclausules. De franchiseovereenkomst biedt bij teleurstellende prestaties van de franchiseonderneming meestal wel een basis voor claims van de franchisegever maar geen oplossing voor de franchisenemer.
Als gezegd is ook voor franchisegevers procederen duur en onzeker. De gevolgen van een nadelige gerechtelijke uitspraak zijn voor de franchisegever vaak groter vanwege de precedentwerking en reputatieschade. Waarschijnlijk om die reden bepaalt de erecode van de European Franchise Federation (EFF) “Franchisepartijen dienen klachten, grieven en geschillen te goeder trouw op te lossen door middel van oprechte, redelijke en rechtstreekse communicatie en onderhandeling en dienen als ze er niet in zijn geslaagd een geschil d.m.v. directe onderhandelingen op te lossen, zich, indien dat passend is, te goeder trouw te wenden tot mediation alvorens over te gaan naar de gewone rechter of arbitrage die is goedgekeurd door de landelijke organisatie die bij de EFF is aangesloten” en is om die reden ook wel eens een mediationclausule in de franchiseovereenkomst opgenomen. Die bepaling is later niet in de Nederlandse Franchisecode overgenomen en mediationclausules hebben gelukkig vaak een vrijblijvend karakter.
Rechters compenseerden vóór de Wet Franchise nauwelijks voor de onevenwichtigheid. Hoewel het een van de doelen van de Wet Franchise was om de hoge drempel tegen procederen te verlagen, is de franchiseovereenkomst nog steeds vaak bepalender voor de uitkomst van een geschil dan bijvoorbeeld goed franchisegeverschap. Het is zeker juist dat de informatiepositie van de franchisenemer is verbeterd, maar de wet is voor een “level playing field” nog onvoldoende uitgekristalliseerd. Veel franchisenemers voelen zich nog steeds bij de start van een procedure op achterstand staan. Ook de kosten van een gerechtelijke procedure zijn in de afgelopen jaren niet minder geworden, terwijl de situatie waarin geschillenbeslechting aan de orde is, vaak een gebrek aan financiële middelen betekent. Desondanks is de wetgever er nog niet toe overgegaan om de (financiële) drempel voor franchisenemers te verlagen door de kantonrechter in plaats van de rechtbank bevoegd te maken. De wetgever achtte de complexiteit van franchisezaken en ook de soms zeer grote financiële belangen daarvoor te groot. En dat is dan ironisch genoeg ook wel een beetje het gevolg van het feit dat erin franchise dus weinig wordt geprocedeerd. De drempel is hoog en dus blijft die drempel hoog.
Toch is geschillenbeslechting een belangrijk onderdeel van franchise. En niet alleen als sluitstuk van de franchiserelatie, maar om een verstoring te herstellen en om de relatie zelfs te versterken. Een verschil van inzicht of een botsing van belangen kan door een oordeel en/of met goede afspraken vaak worden opgelost. Ook vanuit die optiek kijkt de minister nu naar geschillenbeslechting in franchise. Samen met enkele geschillenbeslechtingsdeskundigen kijken FNN en NFV samen mee. Welke mogelijkheden zijn er om geschillen in franchise makkelijker, sneller, goedkoper en met meer waarborgen omkleed mogelijk te maken?
FNN is zeer benieuwd naar uw ervaringen met geschillen of drempels om die te laten beslechten. Werkt u met eigen manieren van geschillenbeslechting?