Op 22 mei jl. heeft advocaat-generaal (AG) van Peursem de Hoge Raad geadviseerd om de vereniging van Voormalige Opel Dealers Nederland en de Vereniging van Groupe PSA Contractpartners Nederland in het ongelijk te stellen (ECLI:NL:PHR:2026:506). Dit advies volgt op een eerdere afwijzing door het Gerechtshof Amsterdam van de vordering van de verenigingen om de dealerovereenkomsten met Stellantis een franchiseovereenkomst te verklaren (ECLI:NL:GHAMS:2025:673). Dit afwijzende advies houdt er sterk verband mee dat de verenigingen een algemene uitspraak over dealerovereenkomsten hebben verzocht. In het algemeen is een dealerovereenkomst volgens de AG nog geen franchiseovereenkomst, maar dat kan deze wel zijn. Volgens de AG dient een franchiseovereenkomst te draaien om de exploitatie van de formule. Dealerovereenkomsten die niet draaien om de formule zijn dan geen franchiseovereenkomsten.
FNN ziet een mogelijk risico in vergaande aanvaarding van het uitgangspunt dat een franchiseformule - de operationele, commerciële en organisatorische formule (…) die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de franchiseondernemingen (…)” – voornamelijk zou worden bepaald door de uitstraling van de franchiseondernemingen, dus de kenmerken “naar buiten toe”. De AG lijkt daarbij relatief veel nadruk te leggen op het uitgangspunt dat voor een franchiseformule sprake moet zijn van een voor het publiek herkenbare formule. Eerder “identiteit” dan “uitstraling” lijkt voor FNN bepalend te zijn voor de vraag of afspraken onderdeel zijn van een franchiseformule. De identiteit, of het wezen van de franchiseovereenkomst, wordt bepaald door de gemaakte en in de rechten en plichten vertaalde formulekeuzes. Onderdeel van de franchiseformule kan daarmee ook juist zijn de mate van vrijheid die aan franchisenemers is gelaten om eigen invulling te geven.
De focus op uiterlijk kan een probleem gaan zijn voor uitwerking van het instemmingsrecht, dat wettelijk is beperkt tot wijzigingen van de franchiseformule. Ook wijzigingen niet naar buiten toe blijken, kunnen zeker gaan om wijzigingen van de franchiseformule waarop het instemmingsrecht van toepassing is. Wanneer de motor van een auto wordt veranderd, is de auto dan nog dezelfde auto gebleven, alleen omdat de carrosserie gelijk is? FNN meent van niet.
Volgens de AG zou ook een uniforme uitstraling nog niet genoeg zijn om van een franchiseovereenkomst te spreken. De ondernemer zou de onderneming ook moeten “exploiteren aan de hand van een formule”. En daarvan zou in geval van “multibrand” niet snel sprake zijn. FNN twijfelt aan de juistheid van die mening en denkt daarbij bijvoorbeeld aan supermarktformules die zeker multibrand in de markt staan.
Dealers die op grond van de dealerovereenkomst verplicht voldoen aan uniforme vorm- en inrichtingsvereisten, kunnen – ook met een “multibrand” product - toch een franchiseovereenkomst hebben gesloten. Die overeenkomsten zullen op eigen basis moeten worden beoordeeld.
FNN wacht het oordeel van de Hoge Raad met spanning af.